News

Ontwerp van veerkrachtige productiesystemen in Europese biologische serres: update van de eerste helft van het GREENRESILIENT-project

In de afgelopen tien jaar is er een sterke discussie geweest rond de principes van biologische landbouw, voornamelijk gedreven door Europese verschillen tussen biologische productiesystemen. Sommige systemen zijn sterk geïntensiveerd en richten zich op een hoge economische duurzaamheid, terwijl andere zich richten op het vergroten van de biodiversiteit en het implementeren van agro-ecologische principes. De belangrijkste doelstelling van het GREENRESILIENT-project, dat in april 2018 van start ging, is voor de biologische beschutte productie in serres of tunnels aan te tonen dat een agro-ecologische aanpak kan resulteren in robuuste agro-ecosystemen in verschillende Europese regio’s.

De projecthypothese is dat de implementatie van meer veerkrachtige productiesystemen, gebaseerd op een laag energieverbruik, verbrede teeltrotatie, het gebruik van groenbedekkers, de zgn. agro-ecologische “dienstverlenende”  gewassen (Agro-Ecological Service Crops of ASC's) en lokale organische inputs, mogelijk is op bijna elke breedtegraad in Europa. Achttien maanden na de start van het project lijken de belangrijkste onderzoeksactiviteiten die tot nu toe zijn uitgevoerd de hypothese te ondersteunen, maar verder onderzoek is nodig.

De vijf proefveldlocaties van het project (gelegen in België, Denemarken, Frankrijk, Italië en Zwitserland) vergelijken twee soorten productiesystemen in beschutte omstandigheden:

  • Een intensiever "Business As Usual" (BAU)-systeem, dat wordt gekenmerkt door een "inputsubstitutie" aanpak en gebaseerd is op de gangbare praktijk en de biologische regelgeving in de afzonderlijke landen, en
  • Een of meer innovatieve (INN) systemen, die meer gediversifieerde vruchtrotaties en een reeks van agro-ecologische praktijken introduceren die van land tot land verschillen.

De BAU- en INN-systemen worden beoordeeld middels een multidisciplinaire aanpak, waarbij wordt gekeken naar gewasopbrengst, beschikbaarheid van voedingsstoffen, bodemvruchtbaarheid, bodemgezondheid, functionele biodiversiteit (nematoden, microbiologische activiteit, onkruidbiodiversiteit, ziekten en plagen) en een levenscyclusanalyse.

Tijdens de eerste drie maanden werden gedetailleerde BAU- en INN-ontwerpen voor de vijf proefveldlocaties gedefinieerd:

In Italië worden negen systemen vergeleken, maar de focus ligt op drie systemen: een intensief organisch systeem (BAU) inclusief bodemsolarisatie, organische handelsmeststoffen en pesticiden; een biologisch-dynamisch systeem (BIODYN) dat gebruik maakt van biologisch-dynamische preparaten, boerderijcompost en groenbedekkers; en een biologisch systeem dat commerciële meststoffen vervangt door bioafvalcompost en groenbedekkers (AGROEC).

In  België kent het BAU-systeem een braakperiode tussen de hoofdteelten, wordt er gebruik gemaakt van groencompost welke extern wordt aangevoerd, en wordt er worteldoek gebruikt om het onkruid onder controle te houden. In het INN-systeem worden groenbedekkers opgenomen in de rotatie, staan er verschillende soorten winterbladgewassen (Winter Leafy Crop of WLC's) en wordt hoogwaardige boerderijcompost toegepast. Stro wordt er als natuurlijk materiaal gebruikt om het onkruid onder controle te houden en er worden bloemenranden ingezaaid.

In Frankrijk  worden zes systemen vergeleken, maar de focus ligt op één BAU-systeem met tomaat en een winterbladgewas dat volgens de gangbare praktijken in Frankrijk wordt geteeld, en één INN-systeem met verschillende gewassen in rijen naast elkaar, bloemenstroken en maaimeststof (transfer mulch).

In  Zwitserland worden twee BAU- en twee INN-systemen vergeleken. Eén BAU-systeem heeft een lage gewasdiversiteit, verwarming volgens de gangbare biologische praktijk en gewasbescherming met zwavel en koper. De andere systemen worden vorstvrij gehouden, daarenboven hebben de INN-systemen een hogere gewasdiversiteit inclusief groenbedekkers, alternatieve bemesting en gewasbescherming.

In Denemarken  is het BAU-systeem een monocultuur van tomaten die wordt verwarmd volgens de behoefte van het gewas. Het INN-systeem wordt vorstvrij gehouden met drie tot vier gewassen per jaarcyclus, waaronder winterbladgewassen, tomaten en bloemenstroken.

De eerste resultaten geven aan dat de teelt van groenbedekkers met een korte groeicyclus een relatief langzame afgifte van bodemminerale stikstof garanderen over een grotere tijdspanne, terwijl bodemsolarisatie onmiddellijk een hoog niveau van bodemminerale stikstof oplevert dat potentieel kan uitspoelen met potentieel negatieve gevolgen voor het milieu.

  • In de verschillende BAU- en INN-teeltsystemen van de proefveldlocaties worden verschillen in bodemgezondheid en functionele biodiversiteit geëvalueerd door het bestuderen van de samenstelling van bacteriële, schimmel- en aaltjesgemeenschappen in bodemmonsters en van bovengrondse insecten- en onkruidgemeenschappen. De hoogste microbiële activiteit in de bodem werd gevonden in monsters uit Frankrijk, de laagste in Belgische en Deense systemen. De metagenomische analyse van de initiële status betreffende de samenstelling van de bacteriële en schimmelgemeenschappen is momenteel aan de gang.
  • De  initiële status voor wat betreft het aantal nematoden en het aantal genera varieert tussen de verschillende proefveldlocaties. Analyse van de functionele biodiversiteit met behulp van ‘DNA-meta-barcoding’ en indices voor voedingstoestand (aanrijkingsindex, EI) en aaltjesdiversiteit (structuurindex, SI), zullen het mogelijk maken om de veerkracht van de verschillende systemen te beoordelen.
  • Verschillende stammen van insecten-parasiterende schimmels werden met succes geïsoleerd in de vijf proefveldlocaties. De hoogste diversiteit werd gevonden in Italië en Frankrijk, gevolgd door Zwitserland, België en Denemarken. De endofytische capaciteit van drie schimmelstammen werd ook aangetoond: twee stammen kunnen de ontwikkeling van een plaaginsect, de tomatenmineermot, verkorten terwijl één stam de ontwikkeling kan verlengen.
  • De diversiteit aan insecten verzameld in bodemvallen en vallen met gele pannen was het grootst in de Italiaanse kas en het laagst in de Deense en Belgische kassen.
  • Uit de evaluaties van het onkruid op de vijf proefveldlocaties blijkt dat de diversiteit binnen de afzonderlijke experimentele locaties niet erg beïnvloed werd door de BAU versus INN, maar wel verschilde tussen de locaties en het teeltsysteem.

Telers, beleidsmakers en het brede publiek kregen de kans om meer te weten te komen over deze bevindingen tijdens opendeurdagen en proefveldbezoeken, die in het komende groeiseizoen zullen herhaald worden. Consumenten kregen ook de kans om betrokken te raken bij het project en te leren over gediversifieerde productiesystemen tijdens evenementen in Zwitserland, Denemarken en Italië. Om informatie te verkrijgen over eerdere en komende evenementen, en over projectresultaten en updates, kunt u de Greenresilient website bezoeken, https://www.greenresilient.net/, of het project volgen op Twitter en Facebook.

Bijkomende informatie

Contact: Fabio Tittarelli, Consiglio per la ricerca in agricoltura e l'analisi dell'economia agraria - Centro di ricerca Agricoltura e Ambiente (CREA - AA), fabio.tittarelli(at)crea.gov.it